Zorgmodule somatoforme stoornissen

Behandelprogramma somatoforme stoornissen – volwassenen

1.Inleiding.
Een somatoforme stoornis is een psychische aandoening waarbij een persoon lichamelijke klachten
heeft waarvoor geen somatische oorzaak (lichamelijke ziekte) gevonden is. De patiënt ervaart reële
lichamelijke klachten, die niet ingebeeld zijn. De klachten zijn niet bewust of doelbewust nagebootst.
Soms is de relatie met psychische oorzaken te leggen, maar niet altijd. Vaak is een ontregeling van
het stressregulatiesysteem betrokken bij het ontstaan en in stand blijven van de klachten. De
diagnose somatoforme stoornis kan niet gesteld worden als de lichamelijke klachten verklaard
kunnen worden door een andere psychiatrische aandoening, bijvoorbeeld een depressieve stoornis
of een angststoornis. In bepaalde gevallen wordt achteraf toch nog een somatische ziekte
vastgesteld bij patiënten met een somatoforme stoornis. Dit loopt bij de behandeling van dergelijke
beelden altijd tot een tweesporenbeleid, waarbij zowel somatische als psychologische factoren
worden meegenomen in de beoordeling.

2. Zorgmodules diagnostiek bij somatoforme stoornissen

2.1 Algemene psychosociale diagnostiek
In het intake gesprek wordt stil gestaan bij de aard, de ernst en de duur van klachten. Tevens wordt
er gekeken naar het ontstaan van de klachten. Ook wordt gevraagd naar eerdere episodes, naar de
familiaire belasting en de lichamelijke gezondheid, middelengebruik en medicatie. Daarnaast wordt
ook een biografie en ontwikkelingsanamnese afgenomen om een beeld te vormen van iemands
levensloop tot nu toe. Tevens worden er enkele vragenlijsten afgenomen om een beeld te krijgen van
de ernst van de klachten de wijze waarop iemand omgaat met gebeurtenissen die er op hem
afkomen. De intake wordt besproken in een multidisciplinair team.

2.2 Specialistische diagnostiek
Indien nodig, worden de angsten op een gestandaardiseerde wijze in kaart gebracht, middels
vragenlijsten of persoonlijkheidsonderzoek.

2.3 Psychiatrische diagnostiek
Wanneer het diagnostisch beeld niet helder is, wordt nadere diagnostiek gedaan door de psychiater
door middel van een of meerdere gesprekken.

2.4 Somatische diagnostiek: (op indicatie)
Wanneer een vermoeden bestaat van achterliggende lichamelijke oorzaken, wordt verwezen voor
somatisch (lichamelijk) onderzoek door een arts.
PPP Praktijk voor Psychiatrie en Psychotherapie b.v.

Zorgprogramma Somatisch symptoom stoornissen

3. Zorgmodules behandeling bij somatoforme stoornissen

3.1 Psycho-educatie

In de vroege behandelfase is het voor patiënten (en hun omgeving) noodzakelijk dat er direct
concrete informatie gegeven wordt over de diagnose, prognose, behandelmogelijkheden en verdere
informatiebronnen. De informatie is opgenomen in het behandelplan.

3.2 Steunende en structurerende begeleiding
Begeleidingsgesprekken gericht op structurering en op praktische problemen. Doelen zijn het
verminderen en/of dragelijk maken van de klachten en symptomen van de angststoornis en daarmee
de patiënt in staat te stellen op een voor hem meer adequate wijze in zijn leven te functioneren.

3.3 Cognitieve gedragstherapie (CGT)
Communicatieve behandelvorm die uitgaat van de veronderstelling dat emoties en gedrag
grotendeels het product zijn van cognities en dat cognitieve en gedragsmatige interventies daarom
veranderingen in gedachten, gevoelens en gedrag kunnen bewerkstelligen.

3.4 Systeemtherapie
Systeemtherapie richt zich op interactieproblemen tussen de patiënt en zijn sociale omgeving, zijn
systeem. Het betrekken van het systeem zal zoveel mogelijk plaatsvinden als het systeem een
bekrachtigende rol speelt in de coping met dan wel de instandhouding van de klachten. Naast de
angstklachten kunnen er problemen zijn ontstaan als gevolg van de angstklachten of kunnen
angstklachten een functie hebben in de interactie met ouders of andere gezinsleden.

3.5 Medicatie
Aangetoond is dat antidepressiva een gunstig effect kunnen hebben op het beloop van somatoforme
stoornissen. De beslissing om bij een somatoforme stoornis een antidepressivum voor te schrijven,
hangt af van de wens van de patiënt, het type stoornis, ernst/ duur van de stoornis, de mate van
subjectief lijden en de aanwezigheid van co morbiditeit in de vorm van een depressie.

3.6 Psychomotorische therapie
Psychomotorische therapie is gericht op lichamelijk inspanningen, ervaringen en belevingen. P.M.T.
kan helpen om iemand weer te motiveren en te activeren en te helpen bij een negatief zelfbeeld.

4. Nazorg
De medicamenteuze behandeling kan worden overgedragen aan de huisarts, wanneer een stabiele
fase is bereikt.

5. Terugvalpreventie
Patiënten worden alert gemaakt op mogelijke signalen voor terugval. Er wordt geleerd om anders
met deze signalen om te gaan dan voor de start van de behandeling. Ook periodieke contacten, in de
vorm van telefoongesprekken en het verstrekken van schriftelijk materiaal, kunnen behulpzaam zijn.

6. Verwijzen
Indien nodig, wordt verwezen naar eerstelijnspsycholoog, andere ggz-instelling et cetera.